Algemene inleiding

Waar gaat deze richtlijn over?

Deze richtlijn beschrijft de reiniging en desinfectie van ruimten (oppervlakken), meubilair en voorwerpen in zorginstellingen die niet zijn aangemerkt als medisch hulpmiddel conform de verordening medische hulpmiddelen (Verordening medische hulpmiddelen EU 2017/745).

Voor het reinigen van gordijnen wordt verwezen naar de richtlijn ‘Linnengoed’ (in ontwikkeling).

De richtlijn is gebaseerd op de algemene uitgangspunten van reiniging en desinfectie. In de richtlijn komen de volgende onderwerpen aan de orde:

  • Randvoorwaarden voor het reinigen van patiëntgebonden ruimten en oppervlakten in zorginstellingen
    • Effectiviteit van microvezeldoekjes versus kant en klare reinigingsdoekjes
    • Reinigingsfrequenties
  • Randvoorwaarden voor het desinfecteren van patiëntgebonden ruimten en oppervlakken in zorginstellingen
    • Nieuwe desinfectiemethoden
  • Kwaliteitscontrole van het reiniging- en desinfectieproces

Wanneer in de richtlijn gesproken wordt over de patiënt worden hiermee de patiënt, cliënt en bewoner bedoeld, tenzij anders aangegeven.

Voor wie is deze richtlijn bedoeld?

De beoogde gebruikers van de richtlijn betreffen medewerkers die betrokken zijn bij de uitvoering of het opstellen van beleid op het gebied van infectiepreventie in de medisch specialistische zorg, langdurige zorg en publieke gezondheidszorg (zie www.sri-richtlijnen.nl).

Voor patiënten

Reinigen, ook wel schoonmaken, is het verwijderen van zichtbaar vuil en onzichtbaar organisch en anorganisch materiaal om te voorkomen dat micro-organismen zich kunnen handhaven, vermeerderen en verspreiden. Er komt veel kijken bij een goede schoonmaak. Als er verkeerd wordt schoongemaakt kunnen er micro-organismen achterblijven of zelfs verspreid worden.

Desinfectie betreft het onschadelijk maken van micro-organismen waarbij het aantal micro-organismen wordt teruggebracht tot een aanvaardbaar niveau. In deze richtlijn worden de reiniging- en desinfectieprocessen van ruimten, meubilair en voorwerpen in zorginstellingen beschreven.

Hoe is de richtlijn tot stand gekomen?

De richtlijn betreft de (gedeeltelijke) herziening van de WIP-richtlijnen ‘Reiniging & Desinfectie: Ruimte [Ziekenhuizen], ‘Reiniging, Desinfectie & Sterilisatie: Beleid [Ziekenhuizen]’, WIP-richtlijn ‘Reiniging, Desinfectie & Sterilisatie [Verpleeghuizen, woon- en thuiszorg ]/[Revalidatiecentra] en ‘Reiniging & Desinfectie: Validatie [Ziekenhuizen]. Deze richtlijnen zijn samengevoegd tot één overkoepelende richtlijn ‘Reiniging en desinfectie van ruimten’ die voor de verschillende zorgdomeinen toepasbaar is. Met het uitbrengen van deze richtlijn komen bovengenoemde richtlijnen te vervallen.

De richtlijn is opgesteld door een multidisciplinaire werkgroep met vertegenwoordigers van de NVMM Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie (Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie), NVZA Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers (Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers), NVvH Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (Nederlandse Vereniging voor Heelkunde), RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu), VHIG Vereniging voor Hygiëne en Infectiepreventie in de Gezondheidszorg (Vereniging voor Hygiëne en Infectiepreventie in de Gezondheidszorg) en NVvA Nederlandse Vereniging voor Arbeidshygiëne (Nederlandse Vereniging voor Arbeidshygiëne). De richtlijn is in de commentaarfase voorgelegd aan onder andere de Patiëntenfederatie, de koepels van ziekenhuizen en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.

Het SRI Samenwerkingsverband Richtlijnen Infectiepreventie (Samenwerkingsverband Richtlijnen Infectiepreventie) is als houder van deze richtlijn de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn. De Federatie Medisch Specialisten heeft namens het SRI de leidende rol gehad bij de richtlijnontwikkeling. De richtlijnontwikkeling wordt ondersteund door het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten. De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijk verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de eerstverantwoordelijke over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

Samenstelling van de werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijnmodule is in 2021 een multidisciplinaire werkgroep samengesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen.

De werkgroep bestaat uit:

  • Dr. E.J.M. Verkade (voorzitter), arts-microbioloog, Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie (NVMM)
  • Drs. E. Bowles, arts-microbioloog, Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie (NVMM)
  • Dr. M.H. Nabuurs-Franssen, arts-microbioloog, Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie (NVMM)
  • Drs. Y. Chahid, ziekenhuisapotheker, Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers (NVZA)
  • Dr. S.S. Gisbertz, chirurg, Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH)
  • Drs. ing. I.V. Hoogendijk, deskundige infectiepreventie, Vereniging voor Hygiëne & Infectiepreventie in de Gezondheidszorg (VHIG)
  • Ing. W. van Vianen, deskundige infectiepreventie, Vereniging voor Hygiëne & Infectiepreventie in de Gezondheidszorg (VHIG)
  • N. Kiefte-van Grol, deskundige infectiepreventie, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
  • Drs. A.A. Bartels, Beleidsadviseur infectiepreventie, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
  • J. Pattipeilohy-van Ommen, verpleegkundige, Beroepsvereniging verzorgenden en verpleegkundigen (V&VN Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland  (Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland ))
  • Dr. ing. M. van Bergen, biorisk-professional, Nederlandse vereniging voor Arbeidshygiëne (NVvA)

Met ondersteuning van:

  • I. van Dusseldorp, literatuurspecialist, Kennisinstituut van Medisch Specialisten
  • Dr. A.J Versteeg, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
  • Dr. M.F.Q. Kluijtmans-van den Bergh, senior-adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
  • Dr. H. Graveland, senior-adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten

Belangenverklaringen

De Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement) hebben gehad. Gedurende de ontwikkeling of herziening van een module worden wijzigingen in belangen aan de voorzitter doorgegeven. De belangenverklaring wordt opnieuw bevestigd tijdens de commentaarfase.

Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.

Werkgroeplid

Functie

Nevenfuncties

Gemelde belangen

Ondernomen actie

Dr. E.J.M. Verkade

Arts-microbioloog bij CERTE MDA te Groningen

Geen

Geen

Geen

Drs. E. Bowles

Arts-microbioloog, Radboud UMC Universitair Medisch Centrum (Universitair Medisch Centrum)

Geen

Geen

Geen

Dr. M.H. Nabuurs-Franssen

Arts-microbioloog, CWZ Nijmegen

Geen

Financier ZonMw Nederlandse organisatie voor gezondheidsonderzoek en zorginnovatie (Nederlandse organisatie voor gezondheidsonderzoek en zorginnovatie). Inhoud onderzoek: control of Covid-19 in hospitals; sero-epidemiologie in healthcare workers. Rol projectleider: nee

Geen

Drs. Y. Chahid

Ziekenhuisapotheker, Amsterdam UMC

Geen

Geen

Geen

Dr. S.S. Gisbertz

Chirurg

Geen

Geen

Geen

Drs. ing. I.V. Hoogendijk

Deskundige infectiepreventie, LUMC Leids Universitair Medisch Centrum (Leids Universitair Medisch Centrum)

Geen

Geen

Geen

Ing. W. van Vianen

 

Deskundige infectiepreventie, Erasmus MC

Geen

Geen

Geen

N. Kiefte-van Grol

ZZP-deskundige infectiepreventie. Afgevaardigd namens het RIVM vanwege ervaring in publieke gezondheidszorg

Geen

Geen

Geen

Drs. A.A. Bartels

Beleidsadviseur infectiepreventie bij RIVM (centrum LCI Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (onderdeel RIVM) (Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (onderdeel RIVM))/LCHV)

Geen

Geen

Geen

J. Pattipeilohy-van Ommen

Verpleegkundige

Geen

Geen

Geen

Dr. ing. M. van Bergen

Biorisk-professional/manager bij Radboud UMC en Radboud Universiteit

Incidenteel adviseur op het gebied van biorisk prevention (op basis van inhuur via Radboud UMC)

Geen

Geen


Bijlagen

Begrip Definitie

ATP Adenosinetrifosfaat (Adenosinetrifosfaat)-meeting

Adenosinetrifosfaat (ATP)-meting, kwantitatieve meting ten behoeve van het meten van de reinheid (indicator) van een materiaal of oppervlakte

Chemische desinfectie (biocide)

Desinfectie door middel van een chemisch product.

"cide" - achtervoegsel (bijvoorbeeld bactericide, fungicide, virucide)

De aanduiding van het vermogen van een chemisch product of proces om micro-organismen te doden.

Ctgb College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden)

College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Desinfectans of ontsmettingsmiddel

Een chemisch product waarmee kan worden gedesinfecteerd en dat tenminste in staat is vegetatieve bacteriën irreversibel te inactiveren binnen de daarvoor gestelde randvoorwaarden.

Desinfectie of ontsmetting

Irreversibele inactivering/reductie van micro-organismen (vegetatieve bacteriën en/of fungi en/of virussen en/of bacteriesporen) op levenloze oppervlakken, alsmede op intacte huid en slijmvliezen, tot een aanvaardbaar geacht niveau. Desinfectie is gericht op het minimaliseren van het risico van overdracht van micro-organismen.

ECHA Europees Agentschap voor chemische stoffen (Europees Agentschap voor chemische stoffen)

European Chemicals Agency

High-touch-oppervlak

Oppervlakken die dagelijks (meerdere keren per dag) worden aangeraakt door medewerker of patiënt.

Hygiënische handdesinfectie

Behandeling van besmette handen met een desinfectans, ter voorkoming van overdracht van transiënte flora.

Patiëntgebonden ruimten

Ruimten waar patiënten (tijdelijk) verblijven.

Reinigen

Het verwijderen van zichtbaar vuil en onzichtbaar organisch materiaal om te voorkomen dat micro-organismen zich kunnen handhaven, vermeerderen en verspreiden

RLU Relative Light Unit (Relative Light Unit)

Relative light unit

Spotreiniging

Het verwijderen van lokaal aangehecht vuil met natte reiniging.

Thermische desinfectie

 

Desinfectie door middel van water met een temperatuur van 60°C tot 100°C of met stoom.

Uitbraak/epidemische verheffing

Als bij twee of meer patiënten met een epidemiologische link hetzelfde pathogene micro-organisme is geïsoleerd

Validatie

Het geheel van specificeren, documenteren, waar mogelijk meten en testen van een proces.

Visueel schoon

Visuele beoordeling van reinheid van oppervlak of materiaal.

Werkwijze

Deze richtlijnmodule is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010).

Knelpuntenanalyse en uitgangsvragen

Tijdens de voorbereidende fase inventariseerde de werkgroep de knelpunten in de zorg voor het reinigen en desinfecteren van ruimten. De werkgroep beoordeelde de aanbeveling(en) uit de eerdere richtlijnen ‘Reiniging en Desinfectie van ruimten’, ‘Beleid reiniging desinfectie en sterilisatie’, WIP-richtlijn ‘Reiniging, Desinfectie & Sterilisatie [VWT]/[REV]’ en ‘Reiniging en desinfectie: validatie’ op noodzaak tot revisie. Tevens zijn er knelpunten aangedragen door RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu), SVN, VDSMH Vereniging Deskundigen Steriele Medische Hulpmiddelen (Vereniging Deskundigen Steriele Medische Hulpmiddelen), ZorgThuisnl, NVA Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologen (Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologen) en NFU via de invitational conference. Een verslag hiervan is opgenomen onder Rapportage knelpunteninventarisatie.

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de werkgroep concept-uitgangsvragen opgesteld en definitief vastgesteld.

Uitkomstmaten

Na het opstellen van de zoekvraag behorende bij de uitgangsvraag inventariseerde de werkgroep welke uitkomstmaten voor de patiënt/zorgmedewerker relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. Hierbij werd een maximum van acht uitkomstmaten gehanteerd. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang bij de besluitvorming rondom aanbevelingen, als cruciaal (kritiek voor de besluitvorming), belangrijk (maar niet cruciaal) en onbelangrijk. Tevens definieerde de werkgroep tenminste voor de cruciale uitkomstmaten welke verschillen zij klinisch (patiënt) relevant vonden.

Methode literatuursamenvatting

Een uitgebreide beschrijving van de strategie voor zoeken en selecteren van literatuur is te vinden onder Zoeken en selecteren onder Onderbouwing. Indien mogelijk werd de data uit verschillende studies gepoold in een random-effects-model. De beoordeling van de kracht van het wetenschappelijke bewijs wordt hieronder toegelicht.

Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation (Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation)-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie www.gradeworkinggroup.org/). De basisprincipes van de GRADE-methodiek zijn: het benoemen en prioriteren van de klinisch (patiënt) relevante uitkomstmaten, een systematische review per uitkomstmaat, en een beoordeling van de bewijskracht per uitkomstmaat op basis van de acht GRADE-domeinen (domeinen voor downgraden: risk of bias, inconsistentie, indirectheid, imprecisie, en publicatiebias; domeinen voor upgraden: dosis-effect relatie, groot effect, en residuele plausibele confounding).

GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie, in het bijzonder de mate van zekerheid dat de literatuurconclusie de aanbeveling adequaat ondersteunt (Schünemann, 2013; Hultcrantz, 2017).

GRADE

Definitie

Hoog

Er is hoge zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt;

het is zeer onwaarschijnlijk dat de literatuurconclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Redelijk

Er is redelijke zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt;

het is mogelijk dat de conclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Laag

Er is lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt;

er is een reële kans dat de conclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Zeer laag

Er is zeer lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt;

de literatuurconclusie is zeer onzeker.

Bij het beoordelen (graderen) van de kracht van het wetenschappelijk bewijs in richtlijnen volgens de GRADE-methodiek spelen grenzen voor klinische besluitvorming een belangrijke rol (Hultcrantz, 2017). Dit zijn de grenzen die bij overschrijding aanleiding zouden geven tot een aanpassing van de aanbeveling. Om de grenzen voor klinische besluitvorming te bepalen moeten alle relevante uitkomstmaten en overwegingen worden meegewogen. De grenzen voor klinische besluitvorming zijn daarmee niet één op één vergelijkbaar met het minimaal klinisch relevant verschil (Minimal Clinically Important Difference (MCID Minimal Clinically Important Difference (Minimal Clinically Important Difference))). Met name in situaties waarin een interventie geen belangrijke nadelen heeft en de kosten relatief laag zijn, kan de grens voor klinische besluitvorming met betrekking tot de effectiviteit van de interventie bij een lagere waarde (dichter bij het nuleffect) liggen dan de MCID (Hultcrantz, 2017).

Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)

Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk en worden meegewogen, zoals aanvullende argumenten uit bijvoorbeeld de biomechanica of fysiologie, waarden en voorkeuren van patiënten, kosten (middelenbeslag), aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie. Deze aspecten zijn systematisch vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje Overwegingen en kunnen (mede) gebaseerd zijn op expert opinion. Hierbij is gebruik gemaakt van een gestructureerd format gebaseerd op het evidence-to-decision-framework van de internationale GRADE Working Group (Alonso-Coello, 2016a; Alonso-Coello 2016b). Dit evidence-to-decision-framework is een integraal onderdeel van de GRADE methodiek.

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, en een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk (Agoritsas, 2017; Neumann, 2016). De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen. De werkgroep heeft bij elke aanbeveling opgenomen hoe zij tot de richting en sterkte van de aanbeveling zijn gekomen.

In de GRADE-methodiek wordt onderscheid gemaakt tussen sterke en zwakke (of conditionele) aanbevelingen. De sterkte van een aanbeveling verwijst naar de mate van zekerheid dat de voordelen van de interventie opwegen tegen de nadelen (of vice versa), gezien over het hele spectrum van patiënten waarvoor de aanbeveling is bedoeld. De sterkte van een aanbeveling heeft duidelijke implicaties voor patiënten, behandelaars en beleidsmakers (zie onderstaande tabel). Een aanbeveling is geen dictaat, zelfs een sterke aanbeveling gebaseerd op bewijs van hoge kwaliteit (GRADE gradering HOOG) zal niet altijd van toepassing zijn, onder alle mogelijke omstandigheden en voor elke individuele patiënt.

Implicaties van sterke en zwakke aanbevelingen voor verschillende richtlijngebruikers

 

Sterke aanbeveling

Zwakke (conditionele) aanbeveling

Voor patiënten/

zorgmedewerkers

De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen en slechts een klein aantal niet.

Een aanzienlijk deel van de patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen, maar veel patiënten ook niet.

Voor beleidsmakers

De aanbevolen interventie of aanpak kan worden gezien als standaardbeleid.

Beleidsbepaling vereist uitvoerige discussie met betrokkenheid van veel stakeholders. Er is een grotere kans op lokale beleidsverschillen.

Organisatie van zorg

In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijnmodule is expliciet aandacht geweest voor de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, mankracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van deze specifieke uitgangsvraag zijn genoemd bij de overwegingen. Meer algemene, overkoepelende, of bijkomende aspecten van de organisatie van zorg worden behandeld in de module Organisatie van zorg.

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd ter commentaar. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn werd aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd dan wel geaccordeerd.

Inbreng patiëntenperspectief

Er werd aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door uitnodigen van Patiëntfederatie Nederland (PFNL Patiëntfederatie Nederland (Patiëntfederatie Nederland)) voor de invitational conference. De verkregen input is meegenomen bij het opstellen van de uitgangsvragen, de keuze voor de uitkomstmaten en bij het opstellen van de overwegingen. De conceptrichtlijn is tevens voor commentaar voorgelegd aan PFNL en de eventueel aangeleverde commentaren zijn bekeken en verwerkt.

Wkkgz Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg) & Kwalitatieve raming van mogelijke substantiële financiële gevolgen

Bij de richtlijn is conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uitgevoerd of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling zijn richtlijnmodules op verschillende domeinen getoetst (zie het stroomschema op de Richtlijnendatabase).

Uit de kwalitatieve raming blijkt dat er waarschijnlijk geen/mogelijk substantiële financiële gevolgen zijn. Zie onderstaande tabel.

Module

Uitkomst raming

Toelichting

Module Randvoorwaarde reinigen

Geen substantiële financiële gevolgen

Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) breed toepasbaar zijn (5.000-40.000 patiënten), volgt ook uit de toetsing dat het geen nieuwe manier van zorgverlening of andere organisatie van zorgverlening betreft. Er wordt geen toename in voltijdsequivalenten dan wel opleidingsniveau verwacht. Er worden daarom geen substantiële financiële gevolgen verwacht.

Module Reinigingsdoeken

Geen substantiële financiële gevolgen

Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) breed toepasbaar zijn (5.000-40.000 patiënten), volgt ook uit de toetsing dat het geen nieuwe manier van zorgverlening of andere organisatie van zorgverlening betreft. Er wordt geen toename in voltijdsequivalenten dan wel opleidingsniveau verwacht. Er worden daarom geen substantiële financiële gevolgen verwacht.

Module Reinigingsfrequentie

Geen substantiële financiële gevolgen

Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) breed toepasbaar zijn (5.000-40.000 patiënten), volgt ook uit de toetsing dat het geen nieuwe manier van zorgverlening of andere organisatie van zorgverlening betreft. Er wordt geen toename in voltijdsequivalenten dan wel opleidingsniveau verwacht. Er worden daarom geen substantiële financiële gevolgen verwacht.

Module Randvoorwaarden desinfectie

Geen substantiële financiële gevolgen

Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) breed toepasbaar zijn (5.000-40.000 patiënten), volgt ook uit de toetsing dat het geen nieuwe manier van zorgverlening of andere organisatie van zorgverlening betreft. Er wordt geen toename in voltijdsequivalenten dan wel opleidingsniveau verwacht. Er worden daarom geen substantiële financiële gevolgen verwacht.

Module Desinfectiemethoden

Geen substantiële financiële gevolgen

Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) breed toepasbaar zijn (5.000-40.000 patiënten), volgt ook uit de toetsing dat het geen nieuwe manier van zorgverlening of andere organisatie van zorgverlening betreft. Er wordt geen toename in voltijdsequivalenten dan wel opleidingsniveau verwacht. Er worden daarom geen substantiële financiële gevolgen verwacht.

Module kwaliteitscontrole

Geen substantiële financiële gevolgen

Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) breed toepasbaar zijn (5.000-40.000 patiënten), volgt ook uit de toetsing dat het geen nieuwe manier van zorgverlening of andere organisatie van zorgverlening betreft. Er wordt geen toename in voltijdsequivalenten dan wel opleidingsniveau verwacht. Er worden daarom geen substantiële financiële gevolgen verwacht.

Literatuur

Agoritsas T, Merglen A, Heen AF, Kristiansen A, Neumann I, Brito JP, Brignardello-Petersen R, Alexander PE, Rind DM, Vandvik PO, Guyatt GH. UpToDate adherence to GRADE criteria for strong recommendations: an analytical survey. BMJ Open. 2017 Nov 16;7(11):e018593. doi: 10.1136/bmjopen-2017-18593. PubMed PMID: 29150475; PubMed Central PMCID: PMC5701989.

Alonso-Coello P, Schünemann HJ, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Rada G, Rosenbaum S, Morelli A, Guyatt GH, Oxman AD; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 1: Introduction. BMJ. 2016 Jun 28;353:i2016. doi: 10.1136/bmj.i2016. PubMed PMID: 27353417.

Alonso-Coello P, Oxman AD, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S,Mustafa RA, Vandvik PO, Meerpohl J, Guyatt GH, Schünemann HJ; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 2: Clinical practice guidelines. BMJ. 2016 Jun 30;353:i2089. doi: 10.1136/bmj.i2089. PubMed PMID: 27365494.

Brouwers MC, Kho ME, Browman GP, Burgers JS, Cluzeau F, Feder G, Fervers B, Graham ID, Grimshaw J, Hanna SE, Littlejohns P, Makarski J, Zitzelsberger L; AGREE Next Steps Consortium. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. CMAJ. 2010 Dec 14;182(18):E839-42. doi: 10.1503/cmaj.090449. Epub 2010 Jul 5. Review. PubMed PMID: 20603348; PubMed Central PMCID: PMC3001530.

Hultcrantz M, Rind D, Akl EA, Treweek S, Mustafa RA, Iorio A, Alper BS, Meerpohl JJ, Murad MH, Ansari MT, Katikireddi SV, Östlund P, Tranæus S, Christensen R, Gartlehner G, Brozek J, Izcovich A, Schünemann H, Guyatt G. The GRADE Working Group clarifies the construct of certainty of evidence. J Clin Epidemiol. 2017 Jul;87:4-13. doi: 10.1016/j.jclinepi.2017.05.006. Epub 2017 May 18. PubMed PMID: 28529184; PubMed Central PMCID: PMC6542664.

Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 (2012). Adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit.

Neumann I, Santesso N, Akl EA, Rind DM, Vandvik PO, Alonso-Coello P, Agoritsas T, Mustafa RA, Alexander PE, Schünemann H, Guyatt GH. A guide for health professionals to interpret and use recommendations in guidelines developed with the GRADE approach. J Clin Epidemiol. 2016 Apr;72:45-55. doi: 10.1016/j.jclinepi.2015.11.017. Epub 2016 Jan 6. Review. PubMed PMID: 26772609.

Schünemann H, Brożek J, Guyatt G, et al. GRADE handbook for grading quality of evidence and strength of recommendations. Updated October 2013. The GRADE Working Group, 2013.

Inleiding

Dit implementatieplan is opgesteld om de implementatie van de aanbevelingen in de richtlijn reiniging en desinfectie ruimte te borgen. Voor het opstellen van dit plan heeft de werkgroep per ontwikkelde module beoordeeld wat eventueel bevorderende en belemmerende factoren zijn voor het naleven van de aanbevelingen en wat eventueel nodig is om de aanbevolen infectiepreventiemaatregelen in Nederland te implementeren.

Werkwijze

De werkgroep heeft per aanbeveling binnen de modules geïnventariseerd:

  • Wat een realistische termijn voor implementatie is;
  • De verwachtte effect van implementatie op de zorgkosten;
  • Randvoorwaarden om de aanbeveling tijdig te implementeren;
  • Mogelijk barrières voor implementatie;
  • Te ondernemen acties voor (bevordering van) implementatie;
  • Verantwoordelijke partij voor de te ondernemen acties.

Voor iedere aanbevelingen is nagedacht over de hierboven genoemde punten. Echter, niet voor iedere aanbeveling leverde bovengenoemde inventarisatie bruikbare antwoorden op. Aangezien het merendeel van de aanbevelingen in deze richtlijn gebaseerd is op een beperkte bewijskracht, is een duidelijke uitspraak over het implementeren niet voor alle aanbevelingen mogelijk noch gewenst. Bovengenoemde inventarisatie is daarom beperkt tot die aanbevelingen waarvoor bovengenoemde analyse zinvol werd geacht.

Hieronder is een tabel (tabel 1) opgenomen met alle modules uit deze richtlijn met daarbij de bijhorende implementatietermijn, verwacht effect op kosten, mogelijke barrières voor implementatie, te ondernemen acties voor implementatie en verantwoordelijken voor de acties.

Tabel 1. Implementatieplan

Module

Tijdspad voor implementatie

Verwacht effect op de kosten

Mogelijke barrières voor implementatie1

Te ondernemen acties voor implementatie2

Verantwoordelijke voor acties3

               

Randvoorwaarden reiniging

<1 jaar

Geen, betreft handhaving bestaande beleid

Het is belangrijk dat reiniging wordt uitgevoerd door bekwame medewerkers met voldoende kennis van reinigen. Voor implementatie is voldoende opleiding en training (incl. nascholing) van personeel dat verantwoordelijk is voor de schoonmaak essentieel.

Geen specifieke acties

n.v.t.

Reinigingsdoeken

<1 jaar

Geen, dit betreft grotendeels bestaand beleid

Geen

Verspreiden richtlijn

Professionals

Reinigingsfrequentie

<1 jaar

Geen, dit betreft grotendeels bestaand beleid

Geen

Verspreiden richtlijn

Professionals

Randvoorwaarden desinfectie

<1 jaar

Geen, dit betreft grotendeels bestaand beleid

Het is belangrijk dat reiniging wordt uitgevoerd door bekwame medewerkers met voldoende kennis van desinfectie. Voor implementatie is voldoende opleiding en training (inclusief nascholing) van personeel dat verantwoordelijk is voor de schoonmaak essentieel.

Verspreiden richtlijn

Professionals

Desinfectiemethoden

<1 jaar

Geen, dit betreft grotendeels bestaand beleid

Geen

Verspreiden richtlijn

Professionals

Kwaliteitscontrole

<1 jaar

Gering, dit betreft grotendeels bestaand beleid – echter worden de controles zoals beschreven nog niet in iedere instelling als zodanig toegepast.

Het is belangrijk dat controle wordt uitgevoerd door bekwame medewerkers met voldoende kennis van het reiniging en desinfectie proces. Voor implementatie is voldoende opleiding en training (incl. nascholing) van personeel essentieel.

Verspreiden richtlijn

Professionals

1 Barrières kunnen zich bevinden op het niveau van de professional, op het niveau van de organisatie (het ziekenhuis) of op het niveau van het systeem (buiten het ziekenhuis). Denk bijvoorbeeld aan onenigheid in het land met betrekking tot de aanbeveling, onvoldoende motivatie of kennis bij de specialist, onvoldoende faciliteiten of personeel, nodige concentratie van zorg, kosten, slechte samenwerking tussen disciplines, nodige taakherschikking, et cetera.
2 Denk aan acties die noodzakelijk zijn voor implementatie, maar ook acties die mogelijk zijn om de implementatie te bevorderen. Denk bijvoorbeeld aan controleren aanbeveling tijdens kwaliteitsvisitatie, publicatie van de richtlijn, ontwikkelen van implementatietools, informeren van ziekenhuisbestuurders, regelen van goede vergoeding voor een bepaald type behandeling, maken van samenwerkingsafspraken.
3 Wie de verantwoordelijkheden draagt voor implementatie van de aanbevelingen, zal ook afhankelijk zijn van het niveau waarop zich barrières bevinden. Barrières op het niveau van de professional zullen vaak opgelost moeten worden door de beroepsvereniging. Barrières op het niveau van de organisatie zullen vaak onder verantwoordelijkheid van de ziekenhuisbestuurders vallen. Bij het oplossen van barrières op het niveau van het systeem zijn ook andere partijen, zoals de NZA en zorgverzekeraars, van belang. Echter, aangezien de richtlijn vaak enkel wordt geautoriseerd door de participerende wetenschappelijke verenigingen is het aan de wetenschappelijke verenigingen om deze problemen bij de andere partijen aan te kaarten.

Termijn voor implementatie

Omdat de aanbevelingen in het algemeen nauw aansluiten bij de huidige klinische praktijk, voorziet de werkgroep nauwelijks belemmeringen voor implementatie. Als men ervan uitgaat dat alle betrokken zorgprofessionals vanaf autorisatie van deze richtlijn (voorzien voorjaar 2023) binnen een jaar op de hoogte gesteld worden van deze richtlijn, is implementatie van de aanbevelingen vanaf een jaar later (medio 2024) realistisch en haalbaar.

Te ondernemen acties per partij

Hieronder wordt per partij toegelicht welke acties zij kunnen ondernemen om de implementatie van de richtlijn te bevorderen.

Alle direct betrokken wetenschappelijke verenigingen/beroepsorganisaties:
  • Bekend maken van de richtlijn onder de leden.
  • Publiciteit voor de richtlijn door er over te vertellen op congressen.
  • Ontwikkelen van gerichte bijscholing/trainingen om kennisoverdracht tussen medewerkers te faciliteren/stimuleren.
  • Ontwikkelen en aanpassen van infectiepreventieprotocollen.
De lokale vakgroepen/individuele medisch professionals:
  • Het bespreken van de aanbevelingen in de multidisciplinaire teamoverleggen, vakgroepoverleggen en relevante lokale werkgroepen.
  • Aanpassen lokale infectiepreventieprotocollen.
  • Afstemmen en afspraken maken met andere betrokken disciplines om de toepassing van de aanbevelingen in de praktijk te borgen.
Samenwerkingsverband Richtlijnen Infectiepreventie (SRI Samenwerkingsverband Richtlijnen Infectiepreventie (Samenwerkingsverband Richtlijnen Infectiepreventie)):
  • Toevoegen van de richtlijn aan de SRI-website.
  • Toevoegen van richtlijn aan Richtlijnendatabase.
  • Het implementatieplan wordt in de bijlage opgenomen, zodat deze voor op een voor alle partijen goed te vinden is.
  • De kennislacunes worden opgenomen in de bijlagen.

Indicatoren

Voor deze richtlijn zijn geen indicatoren ontwikkeld.

Inleiding

Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn ‘Reinigen en desinfectie van ruimten’ is systematisch gezocht naar onderzoeksbevindingen die nuttig konden zijn voor het beantwoorden van de uitgangsvragen. Een deel (of een onderdeel) van de hiervoor opgestelde zoekvragen is met het resultaat van deze zoekacties te beantwoorden, een groot deel echter niet. Door gebruik te maken van de evidence-based-methodiek (EBRO Evidence Based Richtlijn Ontwikkeling (Evidence Based Richtlijn Ontwikkeling)) is duidelijk geworden dat er nog kennislacunes bestaan. De werkgroep is van mening dat (vervolg)onderzoek wenselijk is om in de toekomst een duidelijker antwoord te kunnen geven op vragen uit de praktijk. Om deze reden heeft de werkgroep per module aangegeven waar wetenschappelijke kennis beperkt is en dus op welke vlakken nader onderzoek gewenst is.

Module 1a Randvoorwaarden reinigen

  • Geen systematische search uitgevoerd.

Module 1b Reinigingsdoeken

  • Bij deze module zijn geen kennislacunes benoemd.

Module 1c Reinigingsfrequentie

  • Er is onvoldoende literatuur of afwijkende frequenties van reinigen in de verschillende ruimten en de standaardinrichting in deze ruimten noodzakelijk zijn.

Module 2a Randvoorwaarden desinfectie

  • Het is onbekend of het noodzakelijk is om te reinigen als een oppervlak al visueel schoon is.
  • Is het nodig om de hele ruimte te desinfecteren om transmissie van pathogenen te voorkomen? Zo ja, in welke situaties?

Module 2b Desinfectiemethoden

  • Is het gebruik van desinfecterende coatings vergelijkbaar of beter in effectiviteit en veiligheid in de praktijk als standaard desinfectiemethoden (biociden)?
  • Zijn ‘ready-to-use’-desinfectiedoekjes vergelijkbaar of beter in effectiviteit en veiligheid in de praktijk dan standaard desinfectiemethoden?
  • Komen tot een standaardisatie voor het gebruik van UV-C-apparaten en coatings.
  • Zijn waterstofperoxideverneveling/damp als stand-alone-desinfectiemethoden even effectief als standaarddesinfectiemethoden (biociden)? Er is nog onvoldoende bewijs dat waterstofperoxide een volwaardige vervanging zou kunnen zijn voor het gebruik van biociden. De werkgroep is van mening dat deze het gebruik van waterstofperoxide mogelijk een duurzaam alternatief zou kunnen bieden voor het gebruik van biociden. Het gebruik van waterstofperoxide ontwikkelt momenteel snel en de beschikbaarheid van nieuwe literatuur kan doorslaggevend zijn om waterstofperoxide als duurzaam alternatief aan te bevelen. De werkgroep zal deze ontwikkelingen dan ook nauwlettend in de gaten houden met de hoop de richtlijn op dit punt snel te kunnen herzien.
  • Is UV-C als stand-alone-desinfectiemethode even effectief dat standaarddesinfectiemethoden (biociden)? Er is onvoldoende bewijs dat UV-C een volwaardige vervanging zou kunnen zijn voor het gebruik van biociden. Recent zijn er echter wel CE-gecertificeerde UV-C-desinfectieapparaten tot de markt toegelaten. De werkgroep is van mening dat deze apparatuur mogelijk een duurzaam alternatief zou kunnen bieden voor het gebruik van biociden. Het gebruik van UV-C ontwikkelt momenteel snel en de beschikbaarheid van nieuwe literatuur kan doorslaggevend zijn om UV-C als duurzaam alternatief aan te bevelen. De werkgroep zal deze ontwikkelingen dan ook nauwlettend in de gaten houden met de hoop de richtlijn op dit punt snel te kunnen herzien.

Module 3 Kwaliteitscontrole

  • Wat is voor patiënten in zorginstellingen het effect van het gebruik van ATP Adenosinetrifosfaat (Adenosinetrifosfaat)-bioluminescentie en UV-lichtinspectie van fluorescerende markers (met directe feedback van resultaat) als methode om de kwaliteit van schoonmaak te meten vergeleken met visuele inspectie op het optreden van zorggerelateerde infectie en kolonisatie met specifieke micro-organismen?

Notulen invitational conference richtlijn Reiniging en desinfectie van ruimten

Datum: 30 november 2021

Tijd: 17:00-19:00 uur

Locatie: Online via Zoom

Aanwezig: Corine Komen, Adrie de Bruijn, Arjan van Drongelen, Nicole Kiefte-van Grol (RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu)), Marja van der Kwast, Irene Hoogendijk (VHIG Vereniging voor Hygiëne en Infectiepreventie in de Gezondheidszorg (Vereniging voor Hygiëne en Infectiepreventie in de Gezondheidszorg)), Lia Mantingh (SVN), Marlies Overvelde (NVKF Nederlandse Vereniging voor Klinische Fysica (Nederlandse Vereniging voor Klinische Fysica)), Marrigje Nabuurs (NVMM Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie (Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie)), Martina den Otter (V&VN Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland&nbsp; (Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland&nbsp;)), Ronald de Keizer (VHIG), Andrew Stuijfzand (VDSMH Vereniging Deskundigen Steriele Medische Hulpmiddelen (Vereniging Deskundigen Steriele Medische Hulpmiddelen)), Hans Buijing (ZorgthuisNL), Heleen Tjink (NFU)

Aanwezig werkgroep: Youssef Chahid (NVZA Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers (Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers)), Alvin Bartels (RIVM), Irene Hoogendijk (VHIG), Wim van Vianen (VHIG), Nicole Kiefte (GGD Gemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst (Gemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst)), Jane Pattipeilohy (V&VN), Edmee Bowles, Erwin Verkade (vz), (NVMM), Bart Versteeg, Haitske Graveland (KI-FMS Federatie Medisch Specialisten (Federatie Medisch Specialisten))

Schriftelijke input: Selma Bons (NVA Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologen (Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologen))

Genodigd maar niet aanwezig: Overige WVen aangesloten bij FMS, NHG Nederlands huisartsengenootschap (Nederlands huisartsengenootschap), PFNL Patiëntfederatie Nederland (Patiëntfederatie Nederland), IGJ, NVZ, STZ, NAPA Nederlandse Associatie Physician Assistants (Nederlandse Associatie Physician Assistants), ZiNL, ZN, GGD GHOR Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio (Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio), Verenso Vereniging van specialisten ouderengeneeskunde (Vereniging van specialisten ouderengeneeskunde), NVAVG Nederlandse Vereniging Artsen Verstandelijk Gehandicapten (Nederlandse Vereniging Artsen Verstandelijk Gehandicapten), VGN Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland), NCvB, NVAB Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde), NVRO, VSG, NVTNET, VCCN, VSR

1. Opening

Opening om 17:00 uur door Erwin Verkade (voorzitter van de werkgroep). Iedereen wordt hartelijk welkom geheten.

2. Voorstelronde (naam, organisatie en functie)

Er wordt een kort voorstelrondje gemaakt.

3. Toelichting doel van de avond en proces richtlijnontwikkeling:

Bart Versteeg licht toe dat de richtlijn onderdeel is van het SRI Samenwerkingsverband Richtlijnen Infectiepreventie (Samenwerkingsverband Richtlijnen Infectiepreventie). De structuur wordt kort besproken. Doel van de avond is het verzamelen van input van verschillende partijen om uiteindelijk een complete richtlijn op te stellen. Hierbij wordt rekening gehouden met wat de stakeholders belangrijk vinden en wat er leeft. Hier zal bepaald worden welke punten wel en welke niet worden meegenomen in de richtlijn. Het zal een multidisciplinaire richtlijn worden met een plan de implementatie te verbeteren, welke aansluit op de praktijk en de bestaande zorgprocessen.

De doelstelling is het ontwikkelen van een multidisciplinaire, helder afgebakende richtlijn waarin de patiënt centraal staat.

4. Doelstelling richtlijn

Doel van deze herziening is om een breed draagvlak in het veld te realiseren door relevante beroepsgroepen bij de herziening te betrekken. De gereviseerde richtlijn beoogt om specifieke aanbevelingen te doen met betrekking de geschiktheid van een reinigingsproces of van een reinigings- en desinfectieproces van ruimte, meubilair, en voorwerpen.

Daarnaast streven we ernaar om één nieuwe richtlijn te schrijven voor zowel de ziekenhuizen als ook de verpleeghuizen, woonzorgcentra en voorzieningen voor kleinschalig wonen voor ouderen, zodat allen met één richtlijn kunnen praten over hetzelfde onderwerp en dezelfde uitgangspunten hebben.

De richtlijn zal worden afgestemd met onder andere de SRI-richtlijnen Isolatie, MRSA meticilline-resistente Staphylococcus aureus (meticilline-resistente Staphylococcus aureus) en BRMO.

5. Bespreken raamwerk & prioriteiten (afbakening en inhoudelijke hoofdlijnen van de richtlijn)

De aanwezigen worden gevraagd naar de ervaren knelpunten met betrekking tot reiniging en desinfectie en de onderwerpen die opgenomen zouden moeten worden in de richtlijn.

Arjan van Drongelen (RIVM) – vreest dat één richtlijn te breed wordt om alle onderwerpen voor de verschillende doelgroepen goed te adresseren. Het wordt mogelijk te groot en niet meer behapbaar. Arjan zou graag zien dat richtlijnen voor reiniging en desinfectie gekoppeld worden aan sterilisatie. Dit staat niet los van elkaar. Erwin voegt toe dat de werkgroep sterilisatie van bijvoorbeeld scopen echt als een los proces ziet.

Adrie de Bruijn (RIVM) – vraagt zich af waarom bijvoorbeeld endoscopen niet worden meegenomen? Haitske licht toe dat hier een aparte WIP-richtlijn voor is en deze apart zal worden herzien. Daarnaast wordt gevraagd wat de beoogde duur is voor SRI-richtlijn Reiniging en desinfectie? Haitske licht toe dat in een cyclus van twee jaar wordt beoordeeld of richtlijnen moeten worden herzien. Verder licht zij toe de richtlijnen ook modulair worden opgebouwd waardoor specifieke gedeeltes (modules) van de richtlijn in de toekomst makkelijk kunnen worden herzien. Binnen het SRI wordt momenteel ook gewerkt aan een onderhoudsplan van de richtlijnen.

Corine Komen (RIVM) – belangrijk om ook aandacht te hebben voor de wet- en regelgeving rond reiniging en desinfectiemiddelen. Vaak is dit de biocideverordening. Sommige middelen zijn bijvoorbeeld alleen toegestaan voor de professional en sommige mogen ook door de particulier gebruikt. Als het om ruimtedesinfectie gaat, door bijvoorbeeld verneveling, dan geldt dat degene die dat toepast een specifieke opleiding nodig heeft. Dit zijn belangrijke aandachtspunten. Vooral dat alleen gedesinfecteerd mag worden met toegelaten middelen.

Marja van der Kwast (VHIG) – wanneer moet je nu eigenlijk desinfecteren? Nu in coronatijd zien we dat er overmatig wordt gedesinfecteerd en het zal lastig zijn om hier weer vanaf te stappen. Hier is veel variatie van tussen ziekenhuizen. Mogelijk kan hier aandacht aan worden besteed. Daarnaast zou het fijn zijn als er aandacht kan worden besteed aan nieuwe desinfectiemiddelen. In veel ziekenhuizen wordt nog gebruikt gemaakt van chloor wat niet heel fijn is. Verder is het benoemd dat het fijn zou zijn als er duidelijk wordt aangegeven wanneer er moet worden gereinigd en wanneer gedesinfecteerd? Verder zijn er ook micro-organismen die moeilijker te desinfecteren zijn zoals norovirus. Het zou goed zijn om daar ook iets over te zeggen. Tenslotte zou het goed zijn om iets te zeggen over het combineren van reiniging en desinfectie omdat er ook middelen zijn die aangeven dat dit tegenwoordig kan.

Heleen Tjink (NFU) – heeft geen inhoudelijke input maar luistert mee vanwege mogelijke organisatorische en financiële gevolgen van de impact van de richtlijn.

Marina den Otter (V&VN) – wordt er ook iets opgenomen over bescherming van de medewerker zelf? Erwin licht toe dat er iemand van uit de NvVA is gevraagd om te participeren in de werkgroep en op dit vlak input te geven.

Hans Buijing (Zorgthuisnl) – vraagt zich af waar de huidige richtlijn eindigt qua reikwijdte. Steeds meer complexe zorg wordt thuis gegeven. Het zwaartepunt van de zorg zal daar in de toekomst komen te liggen. Graag hier aandacht voor in de richtlijn. Daarnaast hebben kleinschalige woonvoorzieningen vaak heel weinig ondersteunende diensten en veel taken liggen bij de medewerkers zelf. Het zou goed zijn om hiermee rekening te houden.

Marrigje Nabuurs (NVMM) – in kleine woonzorg instantie en ZKH ligt het proces niet alleen bij de schoonmakers, maar bij alle personen die in een ruimte aanwezig zijn (patiënten familie, dokters et cetera). Het betreft een multidisciplinaire activiteit en het is belangrijk dat er aandacht is voor een multidisciplinaire benadering. Daarnaast is er een verschil in opleidingsniveau (bijvoorbeeld schoonmakers). Wordt er rekening mee gehouden dat zij allen de richtlijn moeten gebruiken?

Welke minimale eisen gelden er voor reiniging en desinfectie in verschillende situaties en waaraan moet worden voldaan? Daarnaast is het belangrijk om in kaart te brengen wie wat doet en hoe controleer je of dit gedaan is. De ATP Adenosinetrifosfaat (Adenosinetrifosfaat)- en DOT-meting zouden goed zijn om daarin mee te nemen.

Andrew Stuijfzand (VDSMH) – veel opmerkingen die aan Jolanda Buijs waren doorgegeven zijn al in werkgroep en het raamwerk meegenomen. Het verschil tussen medische hulpmiddelen die gereinigd en gedesinfecteerd en gesteriliseerd moeten worden versus medische hulpmiddelen die alleen gereinigd en gedesinfecteerd die in een ruimte zijn dient duidelijk afgebakend te zijn. 

Lia Manting (SVN) – vraagt zich af wat bedoeld wordt met voorwerpen? Als je spreekt over ruimte en meubilair, dan gaat het meer over oppervlakten. Bij hulpmiddelen gaat dit ook over CE-markeringen en dan moet je ook middelen gebruiken die een dergelijke CE-markering hebben. Belang van reinigen zou meer belicht mogen worden. Hiermee kan veel worden gevangen. Er zou een scheiding kunnen worden gemaakt tussen hoog-risico- en laag-risicocontacten. Voor laag-risicocontactpunten zou je kunnen kiezen om deze in een lagere frequentie te reinigen.

Marrigje Nabuurs vult aan dat het ook goed zou zijn om dit te doen voor desinfectie. Hoe helderder je dit afkadert hoe duidelijker het wordt. Het zou ook goed zijn iets op te nemen met betrekking tot de frequentie van desinfectie. Wellicht zouden hier voorbeelden bij kunnen worden gegeven welke hulpmiddelen daar dan bij horen. Hier zijn bij de gebruikers verschillende inzichten voor.

Marlies Overvelde (NVKF) – Geeft aan vooral te kijken vanuit de medische hulpmiddelen en medische apparatuur. De MDR is van kracht en hierin is zijn ook reiniging- en desinfectiemiddelen opgenomen voor medische hulpmiddelen. Dit is een risico want hierdoor wordt vastgelegd welke middelen er gebruikt mogen worden. Eenduidigheid in het gebruik van middelen is erg belangrijk. Daarnaast kunnen materialen van apparatuur en hulpmiddelen reageren op reiniging- en desinfectiemiddelen en kan dit materiaaleigenschappen en apparatuur eigenschappen beïnvloeden. Voor verpleegkundige moet dit zo eenvoudig en duidelijk mogelijk gedocumenteerd worden. Daarnaast is een belangrijke vraag wanneer voldoet reinigen en wanneer moet je desinfecteren. Meer is niet altijd beter. Voor de verpleegkundigen zou het fijn zijn als dit zoveel mogelijk kan worden gestandaardiseerd.

Marrigje Nabuurs vult aan dat de eerste vraag is waarom je dit zou willen differentiëren omdat je voor reiniging ander gekwalificeerd personeel nodig hebt dan voor desinfectie. Hoeveel tijd en hoe vaak moet je het doen en wat is haalbaar en wie moet het doen? Goed om te differentiëren per ruimte/per hulpmiddel hoe vaak je moet reinigen of je moet reinigen en/of ook desinfecteren. Dit is kosteneffectief en verhoogt de compliance. Zeker als het aangepast is binnen de werkprocessen.

Lia Mantingh voegt toe dat bij de inkoop al een inventarisatie kan worden gemaakt welke producten een hoog of laag risico hebben.

Marlies Overvelde Geeft aan dat dit klopt, maar dat er in de handleiding vaak al wordt aangegeven welke middelen moet worden gebruikt waardoor het lastig is om daarvan af te wijken. Mogelijk zit hier ook wettelijk nog een zoektocht.

Lia Manting voegt verder toe dat je voor medische hulpmiddelen vaak de handleiding van de medische hulpmiddelen volgt. Men weet dus op voorhand of het product gereinigd kan worden omtrent de processen die in een instelling worden gebruikt. Men kan dus nagaan of nieuwe hulpmiddelen binnen deze processen passen.

Marrigje Nabuurs geeft aan dat achteraf ook gevraagd kan worden of andere middelen gebruikt kunnen worden. Het beschrijven van de effectiviteit kan in dat opzicht ook belangrijk zijn in reactie op de fabrikant zodat er naar een richtlijn kan worden verwezen. Zij kunnen er dan vervolgens voor kiezen om de coating of dit punt technisch aan te pakken.

Arjan van Drongelen geeft aan dat het ook goed zou zijn om hierover met de IGJ en VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) af te stemmen welke speelruimte er is om van bepaalde punten af te wijken van het bestaande protocol. Duurzaamheid is hier ook een belangrijk factor. Het gebruik van veel verschillende middelen is daarom niet wenselijk.

Edmee Bowles geeft aan dat het nuttig is dat wanneer je apparaten aanschaft je bij de fabrikant moet nagaan met welke middelen gereinigd of gedesinfecteerd kan worden. Het zou goed zijn om dit in de richtlijn op te nemen zodat de bal meer bij de fabrikant of leverancier komt te liggen.

Corine Komen geeft nog aan dat het wel echt belangrijk is om aan te geven waar een middel voor is toegelaten en de wettelijke gebruiksvoorschriften te volgen. Een middel voor vloeren mag bijvoorbeeld niet altijd worden toegepast voor muren.

Ronald de Keiser (NOG Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (Nederlands Oogheelkundig Gezelschap)) – Het aantal middelen reduceren is wenselijk. Ronald geeft aan dat het voor de OK belangrijk is dat er in hoog volume kan worden gereinigd en gedesinfecteerd. Verder geen aanvullingen.

Youssef Chahid (NVZA) – Heeft geen andere punten dan die zijn aangedragen tijdens de eerste werkgroepvergadering. In het verleden merkte hij wel dat de WIP-richtlijnen meer zijn geschreven voor de kliniek terwijl er tegenwoordig meer een verplaatsing is van het klaarmaken van geneesmiddelen. Dit gebeurt nu meer in de apotheken en hier gelden andere eisen dan op de verpleegafdeling. Afstemming hierin zou fijn zijn zodat we op eenzelfde manier kunnen werken.

Selma Bons (NVA – vanuit anesthesiologisch oogpunt de belangrijkste aandachtspunten (schriftelijk ingebracht):

  • Reiniging en desinfectie van OK (inclusief kwetsbare apparatuur als een beademingstoestel).
  • R&D van materiaal gebruikt voor luchtwegmanagement.
  • Educatie en training in de juiste wijze van R&D. Wie moet dit doen?

Heel fijn om te lezen dat de duurzaamheid en gezondheidsrisico voor gebruikers van deze middelen een punt van aandacht is. Mochten er stemmen opgaan om dit uit de richtlijn te halen, heb ik hier bezwaar tegen.

6. Vervolgprocedure

De notulen van deze avond worden verspreid en er is gelegenheid tot commentaar of aanvullingen hierop. De werkgroep zal alle besproken knelpunten bespreken en een prioritering moeten maken. Voor de richtlijn is maar beperkt budget en tijd beschikbaar, dus er zal een keuze gemaakt moeten worden. Met deze prioritering wordt het raamwerk voor de richtlijn opgesteld. Alle aanwezigen ontvangen de overwegingen voor prioritering en het raamwerk.

Als de conceptrichtlijn gereed is, zal deze ter commentaar aan alle genodigden worden verstuurd. Er is dan gelegenheid commentaar/suggesties te leveren. Dit commentaar wordt verwerkt in een voor autorisatie geschikte richtlijn. Autorisatie van de wetenschappelijke verenigingen in de kerngroep is nodig. Andere partijen krijgen de richtlijn ook ter informatie of autorisatie vastgesteld (procedures hiervoor verschillen per partij/vereniging).

7. Sluiting

Iedereen wordt bedankt voor de komst en actieve participatie.